De beiaard

De sfeer in het Zottegemse centrum wordt voor een stuk bepaald door het geklingel van de beiaard. Om het kwartier galmt een deuntje over de straten. Elke donderdag van 18.00 tot 18.45 uur (tijdens het winteruur tussen 17.00 en 17.45 uur) en op zaterdag van 14.15 tot 15.00 uur bespeelt beiaardier Paul Hoste de beiaard.

De geschiedenis van ‘onze’ beiaard is minder goed gekend. In een bijdrage over de decanale kerk sprokkelden we wat gegevens die ons toelaten de historiek van de Zottegemse beiaard in grove trekken te schetsen.
 
Campaniletoren
De beiaard gaat terug tot 1750. Dat jaar wordt de decanale kerk grondig verbouwd. De vroegere éénbeukige kruiskerk met vieringtoren wordt vergroot tot een driebeukige kerk met westtoren, een houten campaniletoren met uurwerk en ... beiaard. In de tijdsdocumenten lezen we dat er werd beslist "te maecken ende construeren (...) op den muer vanden achtersten ghevel eenen houten thoren (...) ende opden selven te stellen een urewerck ende clockespel ofte beyaert”.

De klokken worden geleverd door Gregorius ‘Georges’ du Mery, de befaamde 18de-eeuwse klokkengieter. Dumery -zoals zijn naam ook wordt gespeld - was geboren te Hove (Antwerpen) in 1715. Hij werd poorter van de Scheldestad in 1736, maar vestigde zich later in Brugge, waar hij in 1784 stierf. Tussen 1757 en 1784 goot hij 370 klokken. Aan Zottegem leverde hij voor de beiaard twintig klokken, samen met de trommel.

De nieuwe toren met beiaard zorgde in de Egmontstad echter voor heel wat opschudding. Zo wou pastoor Joannes De Meyer, die het beiaardspel al te frivool vond, het kruis op de toren niet wijden. Bovendien bleek men de kosten te hebben onderschat, zodat Adriaan Speelman, de Gentse timmerman die de toren had gebouwd, in 1753 een proces inspande tegen de burgemeester, de schepenen en oud-schepenen, de pastoor en de "kerkmeesters” omdat hij nog altijd niet was betaald voor zijn werk. Het gemeentebestuur spande, tien jaar later, op zijn beurt een proces in tegen pastoor De Meyer, die weigerde intrest te betalen op de van de stad geleende gelden.

Wat de Zottegemse stadsgriffier Jean Baptist Volckaert in een brief aan de Raad van Vlaanderen (1753) vreesde: "Dese saecke behoort met alle circonspectie gheleth te worden om niet te passeren onder het publicq ten spot”, gebeurde ook. De betalingsmoeilijkheden van het Zottegemse gemeentebestuur gingen sterk over de tong en werden ook in een marktlied bezongen:
 
Den Beyaerd van Zotteghem
air
van Pierlala

Liefjebbers van het Beyaerd spel
Een alle zoet geklang
Komt luystert naer mijn reden wel
en hoort naer mijn gezang.
Zotteghem heeft al zijn geld bewaert (bis)
‘t was om te koopen eenen Beyaerd.
Maer hoort hoe zij gevaeren zijn
tot hun leedwezen en pijn.

Wie hebben zij van Gent ontboôn
‘t was Speelman en Sirnoen
om te maeken een torentjen
naer ‘t Italiaens fatsoen.
Zij maekten meynig schoon model (bis)
Een van zeven dat was wel
vraegden hun of zij hem maeken kost
maer niet wat het kosten most.

De baezen waeren geheel content
zij dachten hier is veel geld
En haelden ‘t beste volk van Gent
Om te werken met groot geweld.
Maer als den toren was gemaekt (bis)
En dat het werken was gestaekt
Dan hadden zij geen geld in kas
‘t welk dat geel leelijk was

Als den Beyaerd in den toren hing
En dat hij was gearrangeert
Dan kwam’er eenen organist
Die hem heeft geprobeert.
Het Beyaerd spel dat ging zeer snel (bis)
En op accoord ook alles wel
Men reedt dan rond de stee
met maegden en engelen mee

Ziet de triumph was al te groot
Kreeg wel haest eenen eynd
Den verkooper heeft dit gehoort
Hij was er gouw ontrent.
Is mijnen Beyaerd goed-gekeurt (bis)
Ik pretendeer mijn geld daer voor
schoon ik hem hier heb gebrogd
Het is er den mijnen noch.

Den verkooper is dan weggegaen
Niemand en wist alwaer
Bij den prelaet van St Adriaen
verkoopt hij zijnen Beyaerd daer
Maer als hij wederom kwam (bis)
Deed hij den Beyaerd stille-staen.
Ik heb hem alhier gebrogt
‘k weet hem elders verkogt.

Dan spraeken d’heeren al gelijk
wat schande zal dat zijn
Zijn wij den Beyaerd kwijt
zoo blijven wij in pijn.
Den heer Balleu als een cornel (bis)
die is gereden naer Brussel
en aen Prins Kaerel verzogt
of men hem belasten mogt

Wat antwoorde dat hij daer kreeg
dat is ons onbekent
het ‘s anderdags wederom te peerd
en reed naer de stad van Gent
Hij maekte daer een nieuw accoord (bis)
met den meester van den Beyaerd
Zoo veel te geven ieder jaer
dan bleef den Beyaerd daer.

Oorlof Zotteghem voor het lest
ik raede u voor het best
als gij een rent maeken moet
God gaeve dat gij’ze lossen kost
Gij zult dan zijn geextimeert (bis)
Als gij aen ‘t lossen niet mankeert.
Gij leefde van te vooren wel
Al had gij geen Beyaerd spel.


Samengevat vertelt het martklied dat Zottegem zijn geld had gespaard om een beiaard op te richten en het werk aan de toren toevertrouwde aan de Gentenaars Speelman en Sirnoen. Het was een campaniletoren ("naar Italiaans fatsoen"). Het werk werd voortreffelijk uitgevoerd en de beiaard werd ingespeeld met een feest en een optocht. Toen de bouwer, die nog niet was betaald, van de feestelijkheden hoorde, kwam hij om zijn geld, maar ving bot. Hierop trok hij naar Geraardsbergen en verkocht er "zijn" beiaard aan de Sint-Adriaansabdij. De Zottegemnaren lieten dat niet over hun kant gaan en zonden de baljuw naar prins Karel van Loreinen te Brussel. Dankzij diens bemiddeling werd met de Gentse bouwers een nieuw akkoord gesloten, waarbij de betaling over meerdere jaren werd gespreid.
 
Herstellingen
De beiaard kwam vrij ongeschonden uit de Franse Tijd. Vermoedelijk werden alle beiaardklokken bij particulieren verborgen, en later aan de kerk teruggegeven. In elk geval zwijgen de bronnen meer dan honderd jaar. Pas als de toren in 1864 wordt afgebroken en heropgebouwd, duikt de beiaard weer op: in 1867 levert Severinus Van Aerschodt, klokkengieter te Leuven, twaalf klokken voor de beiaard, samen met een luidklok die ‘H. Barbara’ wordt gedoopt. In 1873 giet hij nog twee luidklokken, respectievelijk ‘Onze-Lieve-Vrouw’ en ‘Sint-Jozef’.

In de zomer van 1902 komt de beiaard in de Zottegemse Gemeenteraad ter sprake. Hij moet dringend worden hersteld, wat 800 frank moet kosten, maar de spaarzame raadsleden besluiten "daar deze som nogal groot is zal er onderzocht worden of het niet mogelijk zou zijn de herstellingen door personen der gemeente te doen uitvoeren onder het geleide van den beiaardspeler”. Dit bleek een ijdele veronderstelling en twee jaar later wordt de firma Ed. Michiels-Moeremans & Zonen te Mechelen aangezocht om de nodige reparaties uit te voeren.

De toren zelf verkeert al tijdens de Grote Oorlog opnieuw in een erbarmelijke staat, maar het duurt nog tot 1925 eer de hoognodige herstellingen worden uitgevoerd. Als de toren op de agenda staat, duikt telkens weer de beiaard op. Zo kon men in het weekblad "De Beiaard” (!) in 1921 lezen: "Naar wij vernemen is men aan het werk om uit onzen kerktoren de klokken van het beiaardspel weg te nemen, ten einde herstellingen te kunnen doen”. De beiaard zou nog voor kermis Zottegem spelen. Het was een wel erg voorlopige opknapbeurt, want nauwelijks drie jaar later keurt de Gemeenteraad het "vervolledigen”goed van de beiaard "door het aanbrengen van acht nieuwe klokken”. De opdracht wordt toegewezen aan Karel De Mette "Beiaardier des Konings en der stad Aelst”, tevens klokkengieter. Hij levert zelf vier klokjes; Omer Michaux giet in 1925 de vier grotere exemplaren. De klokjes van Karel De Mette worden later in diverse documenten omschreven als "de vier kleinste door een niet op de klok aangegeven gieter in deze eeuw gegoten”.
 
Een hernieuwde beiaard
In 1961 vinden grote herstellingswerken aan de decanale kerk plaats, onder meer aan de toren. Tijdens die werken wordt de beiaard uit de toren verwijderd en stelt men vast dat "het mechanisme totaal versleten is”. De vraag dringt zich op of men een volledig nieuwe beiaard gaat aankopen, dan wel de oude klokken zal laten opknappen. De Gemeenteraad stelt "dat (...) met het prestige der gemeente toch rekening dient te worden gehouden en er thans geen daden mogen gesteld worden welke voor de toekomst kunnen nadelig zijn” en besluit een nieuwe beiaard met 48 klokken, met wekkering en uurwerk, in te richten. Hierbij zullen een aantal bestaande klokken worden hergebruikt.

Medio 1962 beslist men, onder andere op advies van Paul Bourgeois (stadsbeiaardier van Nieuwpoort), Staf Nees (stadsbeiaardier van Mechelen en directeur van de Koninklijke Beiaardschool ‘Jef Denijn’) en van André Lehr, 35 nieuwe klokken te laten gieten door de firma Petit & Fritzen te Aarlen-Rixtel (Nederland).

André Lehr stelt een uitgebreid rapport op van de bestaande klokken. Hij geeft het volgend overzicht: er zijn drie luidklokken van Severinus Van Aerschodt (1867, 1873) en 35 beiaardklokken, met name 17 van Joris Dumery (1750), tien van Severinus Van Aerschodt (1867), vier van Omer Michaux (1925) en vier van een onbekende gieter (zoals hierboven vermeld, gaat het om de klokken van Karel De Mette). Lehr prijst de historische waarde van de Zottegemse beiaard: "Joris Dumery behoort tot de belangrijkste beiaardgieters uit België. In de geschiedenis der klokkengietkunst werden zijn werken terecht geroemd. Weliswaar bereikte hij niet een optimale stemmingszuiverheid; doch de klank van zijn klokken is uitstekend te noemen. Om die reden moet het dan ook betreurd worden, dat nog slechts enkele beiaarden van hem bestaan. (...) Op grond van het bovenstaande zou het ten zeerste betreurd moeten worden indien de Dumery-klokken van Sottegem verloren zouden gaan. Te zeer zijn ze namelijk van betekenis voor de beiaardhistorie”.

Hij stelt voor veertien Dumery-klokken te hergebruiken, maar uiteindelijk worden er slechts elf weerhouden, evenals twee van Van Aerschodt en één van Michaux. Samen met de 35 nieuwe klokken, bestaat de huidige beiaard, officieel ingehuldigd op 21 juni 1964, uit 49 klokken.
 
© Danny Lamarcq

Bronnen
Danny Lamarcq, De bouwgeschiedenis van de O.L.V.-Hemelvaartkerk te Zottegem, in: Zottegems Genootschap voor Geschiedenis en Oudheidkunde. Handelingen, IV, 1989, p. 141-162.
Centrale Bibliotheek Universiteit Gent, Vliegende Bladen.